Wat is ringrijden?

Een ringrijder zit op een ongezadeld paard, dat hij in galop door de ringbaan stuurt. In de hand heeft hij een lans, waarmee hij probeert de ring te steken die halverwege de baan in een ijzeren bus hangt. Het paard moet versierd zijn en de deelnemer moet de voorgeschreven wedstrijdkleding dragen.

Het ringrijden in deze vorm wordt alleen beoefend op het schiereiland Walcheren en Zuid-Beveland in de provincie Zeeland. De organisatie van het ringrijden is in handen van het overkoepelende orgaan de Zeeuwse Ringrijders Vereniging en de 16 aangesloten lokale verenigingen ook wel afdelingen genoemd. Eén van deze afdelingen is de Domburgse Ringrijders Vereniging waarvan u nu de website bezoekt.

Kleding

Het wedstrijdtenue voor officiële wedstrijden van de Zeeuwse Ringrijders Vereniging (ZRV) is een ZRV-trui of poloshirt. Dit is een witte trui of shirt met een groen ZRV-embleem en groene randjes langs de mouwen en de kraag. Hier overheen draagt de ringrijder een oranje sjerp met ZRV-embleem, over de rechterschouder.

De rest van het tenue moet volledig wit zijn (dus witte broek, witte schoenen, witte sokken, evt. witte pet). Bij demonstraties ringrijden van de ZRV, is iedere deelnemer verplicht in de Zeeuwse (mannen)klederdracht gekleed. Verschillende afdelingen hebben hun eigen kleding voorschriften en gebruiken. De Domburgse Ringrijders rijden bijvoorbeeld zonder oranje sjerp.

Deelname

Je mag meedoen aan een ringrijwedstrijd vanaf het jaar dat je twaalf wordt. Dus word je in augustus twaalf, dan mag je in juni al aan een wedstrijd meedoen. Een maximumleeftijd voor het ringrijden is er niet. Tegenwoordig zie je steeds meer ringrijders die tot op hoge leeftijd meedoen. Naast de leeftijd die door alle verenigingen gehanteerd wordt zijn er per afdeling nog aparte eisen waaraan een deelnemer moet voldoen. Deze eisen hebben nagenoeg altijd te maken met de binding die iemand heeft met een dorp of vereniging.

De ring

De te steken ring heeft een doorsnede van 38 mm. Bij het kampen kan de doorsnede van de ring worden verkleind tot minimaal 10 mm. Als de ring gestoken is, moet de ringrijder deze aan het eind van de baan met de lans achterover netjes afgeven aan de ringloper. Bij officiële wedstrijden kan iedere deelnemer 30 ringen steken.

De ring hangt halverwege de baan in een ijzeren bus aan een touw tussenin twee palen (op z’n Zeeuws: de poengers). De afstand tussen de onderkant van de bus en de vaste bodem van de ringbaan is 2,20 meter.

De ringbaan

De ringbaan heeft op alle wedstrijden dezelfde afmetingen, namelijk een lengte van 36 meter en een breedte van 1 meter aan de onderkant. De baan is afgezet met palen, waarlangs een touw gespannen is op een hoogte van 1,2 meter. Aan beide uiteinden van de baan, kunnen de paarden na ieder vaart rusten in de boxen.

Kampen

Wanneer een aantal rijders aan het eind van de dag hetzelfde aantal ringen heeft gestoken – bijvoorbeeld alle 30 – wordt er gekampt wie de uiteindelijke dagwinnaar is. Deze rijders kampen op een steeds kleiner wordende ring. De normale wedstrijdring is 38 mm doorsnee. Bij het kampen begint men met een ring van 32 mm doorsnee. Wie deze ring niet (meer) steekt valt af. Wie wel insteekt mag verder kampen, waarbij de ring steeds kleiner wordt. Van 32 gaat het naar 26 mm, vervolgens naar 20 mm, dan 14 mm om uiteindelijk te eindigen bij de kleinste ring van 10 mm. Deze ring van 10 mm – al lijkt het onwaarschijnlijk – wordt echter regelmatig gestoken.

Bij de grote wedstrijden in Middelburg en in Vlissingen komt het regelmatig voor dat er 15 of meer rijders kampen om de beschikbare bekers. Dan kan het best eens een uur of langer duren voordat alle plaatsen zijn uitgekampt. De 14 en 10 mm worden tijdens zo’n kamp regelmatig gestoken.

De medewerkers

Bij iedere wedstrijd zijn er (vrijwillige) medewerkers. Allereerst is er een baancommissaris, die verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken tijdens de wedstrijd zoals die is vastgelegd in het huishoudelijk reglement en wedstrijdreglement van de ZRV. Verder is er een ringhanger, dit is degene die de ring in de bus hangt (en tevens ook de ringbaan uitzet en in orde houdt).

Er is ook een ringloper, die de gestoken ring aan het eind van de baan van de ringrijder aanneemt. Vaak wisselen de ringhanger en de ringloper onderling van taak tijdens een wedstrijd. Ten slotte zijn er altijd twee schrijvers: een voor het bijhouden van de stand op een groot schoolbord en een voor de stand op papier. Een gestoken ring betekent een verticaal streepje, een gemiste ring een horizontaal streepje. Het dubbelschrijven voorkomt ook dat er fouten ontstaan bij het tellen van de gestoken ringen per deelnemer.

Klassewedstrijden

Er zijn vijf wedstrijdklassen voor de afdelingen die zijn aangesloten bij de Zeeuwse Ringrijders Vereniging (ZRV), nl. een ere-, eerste, tweede, derde en een vierde klasse. Per klasse wordt er ieder jaar één wedstrijd verreden, in de regel aan het begin van het ringrijseizoen in mei/juni. Elke klasse bestaat uit 13 drietallen.

Zo’n drietal bestaat uit 3 ringrijders van één afdeling die ieder 30 ringen kunnen steken. Het totaal van een drietal wordt bij elkaar opgeteld, dus een uitstekend presterend drietal kan in totaal 90 ringen steken. De wedstrijden zijn uniek en wakkeren de dorpenstrijd elkaar jaar weer een paar weken flink aan.

Het ultieme wat je kunt bereiken in een klassewedstrijd is het steken van 90 van de 90 ringen. Dit huzarenstukje is  in de historie van ringrijden slechts een aantal keren volbracht. Twee keer wist een Domburgs drietal dit te realiseren!

In iedere klasse (behalve uiteraard de ereklasse) promoveren de beste twee drietallen; in iedere klasse (behalve de vierde) degraderen de slechtste twee drietallen. De vierde klasse is een zogenaamde promotieklasse, waarin beginnende drietallen uitkomen en door promotie een hogere klasse kunnen bereiken.

Wanneer mag een ringrijder klasse rijden?

Iedere afdeling organiseert minimaal één keer per jaar een afdelingswedstrijd. Van iedere deelnemer wordt na zo’n wedstrijd het gemiddelde aantal gestoken ringen van de afgelopen drie jaar bijgehouden. Dus stel dat een ringrijder in 2004 20 ringen stak, in 2005 stak hij 25 ringen en in 2006 stak hij 30 ringen, dan heeft hij een gemiddelde van 25 ringen over de afgelopen drie jaar. Per afdeling wordt vervolgens gekeken wie de beste drie ringrijders zijn, zij vormen samen het eerste drietal van die afdeling. De volgende drie rijders vormen het tweede drietal, enz.

Niet iedere ringrijder wil meedoen aan het klasserijden, dus er vallen ook wel eens rijders van tussen. Dan mag de daaropvolgende ringrijder in zijn of haar plaats meedoen. In Domburg is de wedstrijd begin augustus aangemerkt als wedstrijd die meetelt voor het klassement over 3 jaar. Vandaar dat wij dit ook de klassementswedstrijd noemen.

 


Historie van het ringrijden

Over het ontstaan van het ringrijden doen verschillende verhalen de ronde.
Omdat er vroeger niets op papier werd vastgelegd, is het moeilijk te achterhalen waar het ringrijden precies vandaan komt. Hieronder worden twee ideeën over het ontstaan nader toegelicht, nl. de Germaanse meikransviering en de steekspelen. Verder informatie over het ringrijden in de 17e en 18e eeuw.

Germaanse meikransvieringen
Er zijn historici die zeggen dat het ontstaan van het ringrijden ver teruggaat in de tijd. Het ringrijden toont namelijk veel overeenkomsten met het Duitse ‘Rolandreiten’ en het Deense ‘Kranssteken’. Wanneer je in de ijzeren ring een met bloemen en linten getooide meikrans ziet, dan vindt het zijn oorsprong bij de Germanen die in het voorjaar hun meikransvieringen hielden. Dat zou ook meteen verklaren waarom ringsteken in het voorjaar in veel plaatsen op 3e Pinksterdag (Pinksterdrie) wordt gehouden.
Toch is dit niet de meest aannemelijke verklaring voor de herkomst van het ringrijden.
De volgende verklaring benadert de werkelijkheid waarschijnlijk meer.
Volgens ‘de Zeeuwse Cronykalmanach’ uit 1788 is het ringrijden afgeleid van de steekspelen en toernooien, die de krijgszuchtige en strijdbare adel in de middeleeuwen organiseerden.
Het was toen de gewoonte dat de jonkvrouwen – bij wijze van ereprijs – één van hun ringen lieten ophangen. De ridders moesten deze ring in galop aan hun lans proberen te steken.

De ringen hingen toen aan brede zijden linten, die door de jonkvrouwen werden geschonken.
De ridder die het eerst driemaal de ring had gestoken, mocht een ereronde maken, vergezeld van de andere ridders. Vervolgens werd de ridder naar de kring van jonkvrouwen geleid, kreeg daar zijn prijs uitgereikt en hem werd het bijbehorende lint omgehangen.
Daarna werd het spel voortgezet om andere prijzen.
Historici vinden dit de meest aannemelijke verklaring voor het ontstaan van het ringrijden.

Het oudste document waarin het ringrijden wordt vermeld, is van 7 juni 1687.
Het is een klacht van de Middelburgse kerkeraad bij de classis Walcheren “dat voorleden Pinkster op verscheidene dorpen op Walcheren van den boerse jeugd en andere, dien het minst betaamt, den ring gestoken is en bij gevolge van dien vele wulpsch- en ongerijmdheden van danserijen, drinkerijen enz. gepleegd worden, ook met verachting van der predikanten daartegen”.

In 1695 werden in Biggekerke deelnemers die de ring hadden gestoken, door de kerk gecensureerd. In 1703 zette de classis Goes alle ringrijders die tot de kerk behoorden onder censuur. Vijf kerken weigerden echter dit bevel uit te voeren, omdat het ringrijden immers niet op zondag plaatshad.

Predikanten en kerkeraden van die tijd zetten zich sterk af tegen het ringrijden, dat vaak in combinatie met kermissen werd gehouden. Voor de boeren en arbeiders waren dit zeer welkome onderbrekingen van hun zware arbeidzame leven. Ringrijderijen ontaardden vaak in een uitbundige uitspatting van feestvreugde met veel alcoholhoudende drank. Maar het is de kerken nooit gelukt het ringrijden te laten verbieden.

Op 23 april 1767 wordt voor de eerste maal melding gemaakt van de ringrijderij die de broederschap van St-Joris op die dag hield. Op het Abdijplein te Middelburg kwamen 14 adelijke heren bijeen om de ring te steken.

Betje Wolf, Zeeuws schrijfster, spreekt in haar gedicht ‘Walcheren’ uit 1769 van het ringsteken op West-Souburg.